Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 150 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{4}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{8}{10}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 240 prullen zijn \(\frac{1}{8}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{1}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  4. \(\)In een vrachtwagen met 216 dozen zijn \(\frac{2}{3}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{9}\) die gedeukt zijn. Hoeveel metalen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 270 prullen zijn \(\frac{4}{10}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel sleutelhangers die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 150 prullen zijn \(\frac{1}{3}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een vrachtwagen met 108 dozen zijn \(\frac{2}{4}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  8. \(\)In een school met 384 leerlingen zijn \(\frac{4}{8}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{5}{6}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  9. \(\)In een bedrijf met 120 werknemers zijn \(\frac{6}{10}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel vrouwen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  10. \(\)In een school met 160 leerlingen zijn \(\frac{2}{5}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{7}{8}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel jongens die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  11. \(\)In een bedrijf met 648 werknemers zijn \(\frac{7}{8}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die minstens 3 talen spreken. Hoeveel mannen die minstens 3 talen spreken zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 252 dozen zijn \(\frac{5}{7}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{2}{5}\times\frac{3}{10}\times 150=18\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  2. \(\frac{3}{4}\times\frac{8}{10}\times 280=168\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{1}{8}\times\frac{1}{5}\times 240=6\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  4. \(\frac{2}{3}\times\frac{1}{9}\times 216=16\text{ metalen doosjes die gedeukt zijn}\)
  5. \(\frac{4}{10}\times\frac{2}{3}\times 270=72\text{ sleutelhangers die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{1}{3}\times\frac{2}{5}\times 150=20\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  7. \(\frac{2}{4}\times\frac{1}{3}\times 108=18\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
  8. \(\frac{4}{8}\times\frac{5}{6}\times 384=160\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  9. \(\frac{6}{10}\times\frac{3}{4}\times 120=54\text{ vrouwen die minstens 3 talen spreken}\)
  10. \(\frac{2}{5}\times\frac{7}{8}\times 160=56\text{ jongens die eten van thuis meenemen}\)
  11. \(\frac{7}{8}\times\frac{3}{9}\times 648=189\text{ mannen die minstens 3 talen spreken}\)
  12. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{4}\times 252=90\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
Oefeningengenerator vanhoeckes.be/wiskunde 2026-03-07 04:40:39