Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 350 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{7}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een school met 90 leerlingen zijn \(\frac{2}{6}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel meisjes die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  3. \(\)In een bedrijf met 36 werknemers zijn \(\frac{1}{3}\) van de werknemers vrouwen. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel vrouwen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een bedrijf met 144 werknemers zijn \(\frac{5}{9}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  5. \(\)In een doos met 96 prullen zijn \(\frac{7}{8}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{3}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  6. \(\)In een doos met 168 stukken snoepgoed zijn \(\frac{5}{7}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  7. \(\)In een doos met 210 stukken snoepgoed zijn \(\frac{1}{5}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{6}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel koekjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  8. \(\)In een doos met 288 prullen zijn \(\frac{1}{4}\) van de prullen sleutelhangers. Hiervan zijn er \(\frac{6}{8}\) die lekker ruiken. Hoeveel sleutelhangers die lekker ruiken zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 243 leerlingen zijn \(\frac{2}{3}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{9}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een vrachtwagen met 360 dozen zijn \(\frac{5}{8}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{9}\) die gebarsten zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)
  11. \(\)In een vrachtwagen met 60 dozen zijn \(\frac{3}{5}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{4}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een doos met 126 stukken snoepgoed zijn \(\frac{2}{3}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{7}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{4}{7}\times\frac{3}{5}\times 350=120\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{3}\times 90=10\text{ meisjes die met de fiets naar school komen}\)
  3. \(\frac{1}{3}\times\frac{3}{4}\times 36=9\text{ vrouwen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  4. \(\frac{5}{9}\times\frac{1}{4}\times 144=20\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  5. \(\frac{7}{8}\times\frac{1}{3}\times 96=28\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  6. \(\frac{5}{7}\times\frac{2}{3}\times 168=80\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  7. \(\frac{1}{5}\times\frac{6}{7}\times 210=36\text{ koekjes die een vierkante vorm hebben}\)
  8. \(\frac{1}{4}\times\frac{6}{8}\times 288=54\text{ sleutelhangers die lekker ruiken}\)
  9. \(\frac{2}{3}\times\frac{4}{9}\times 243=72\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{5}{8}\times\frac{3}{9}\times 360=75\text{ kartonnen doosjes die gebarsten zijn}\)
  11. \(\frac{3}{5}\times\frac{1}{4}\times 60=9\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  12. \(\frac{2}{3}\times\frac{2}{7}\times 126=24\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
Oefeningengenerator vanhoeckes.be/wiskunde 2025-04-04 01:36:48