Instapvraagstukken

Hoofdmenu Eentje per keer 

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

  1. \(\text{Sarah gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 1.8 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  2. \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 18 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  3. \(\text{Nihad gaat 6 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 72 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  4. \(\text{Ayman heeft 22 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 230 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\)
  5. \(\text{Loubna gaat 5 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 40 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  6. \(\text{Maxim heeft 30 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 235 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
  7. \(\text{Maxim heeft 23 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 152 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\)
  8. \(\text{Lina heeft 6 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 77 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\)
  9. \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 18 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  10. \(\text{Jana gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 2.4 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\)
  11. \(\text{Mohamed heeft 34 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 157 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\)
  12. \(\text{Mohamed heeft 55 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 215 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\)

Gebruik het stappenplan voor het oplossen van vraagstukken.

Verbetersleutel

  1. \(\text{Sarah gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 1.8 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\ 6.x = 1.8 \\ \Leftrightarrow x = \frac{1.8}{6} = 0.3 \\ \text{Sarah legt 0.3 km af per baantje}\)
  2. \(\text{Loubna gaat 6 dagen in de week schaatsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 18 km geschaatst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per rondje} \\ 6.x = 18 \\ \Leftrightarrow x = \frac{18}{6} = 3 \\ \text{Loubna legt 3 km af per rondje}\)
  3. \(\text{Nihad gaat 6 dagen in de week fietsen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal tourkes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 72 km gefietst.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per tourke} \\ 6.x = 72 \\ \Leftrightarrow x = \frac{72}{6} = 12 \\ \text{Nihad legt 12 km af per tourke}\)
  4. \(\text{Ayman heeft 22 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 230 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Ayman voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Ayman voor de aankoop} \\ x - 22 = 230 \\ \Leftrightarrow x = 230 + 22 = 252 \\ \text{Ayman had 252 euro}\)
  5. \(\text{Loubna gaat 5 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 40 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\ 5.x = 40 \\ \Leftrightarrow x = \frac{40}{5} = 8 \\ \text{Loubna legt 8 km af per ronde}\)
  6. \(\text{Maxim heeft 30 euro uitgegeven aan een spidermanpak.} \\ \text{Er is nu nog 235 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 30 = 235 \\ \Leftrightarrow x = 235 + 30 = 265 \\ \text{Maxim had 265 euro}\)
  7. \(\text{Maxim heeft 23 euro uitgegeven aan een spelletje voor de PlayStation.} \\ \text{Er is nu nog 152 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Maxim voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Maxim voor de aankoop} \\ x - 23 = 152 \\ \Leftrightarrow x = 152 + 23 = 175 \\ \text{Maxim had 175 euro}\)
  8. \(\text{Lina heeft 6 liter frisdrank nodig om mee te nemen naar een feestje.} \\ \text{Ze heeft een budget van maximaal 77 euro.} \\ \text{Hoeveel mag de frisdrank per liter maximaal kosten?}\\ \text{x is maximale kost per frisdrank} \\ 6.x = 77 \\ \Leftrightarrow x = \frac{77}{6} = 12.83 \\ \text{Lina kan maximaal 12.83 euro uitgeven aan een liter frisdrank}\)
  9. \(\text{Nihad gaat 3 dagen in de week lopen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal rondes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 18 km gelopen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per ronde} \\ 3.x = 18 \\ \Leftrightarrow x = \frac{18}{3} = 6 \\ \text{Nihad legt 6 km af per ronde}\)
  10. \(\text{Jana gaat 6 dagen in de week zwemmen.} \\ \text{Ze doet elke keer hetzelfde aantal baantjes.} \\ \text{Aan het einde van de week heeft ze 2.4 km gezwommen.} \\ \text{Hoeveel km legt ze af per dag?}\\ \text{x is het aantal km per baantje} \\ 6.x = 2.4 \\ \Leftrightarrow x = \frac{2.4}{6} = 0.4 \\ \text{Jana legt 0.4 km af per baantje}\)
  11. \(\text{Mohamed heeft 34 euro uitgegeven aan een gouden Pokemonkaart.} \\ \text{Er is nu nog 157 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Mohamed voor de aankoop} \\ x - 34 = 157 \\ \Leftrightarrow x = 157 + 34 = 191 \\ \text{Mohamed had 191 euro}\)
  12. \(\text{Mohamed heeft 55 euro uitgegeven aan een nieuwe batterij voor zijn smartphone.} \\ \text{Er is nu nog 215 euro over.} \\ \text{Hoeveel geld had Mohamed voor de aankoop?}\\ \text{x is de hoeveelheid geld van Mohamed voor de aankoop} \\ x - 55 = 215 \\ \Leftrightarrow x = 215 + 55 = 270 \\ \text{Mohamed had 270 euro}\)
Oefeningengenerator vanhoeckes.be/wiskunde 2022-06-27 08:14:59