Breuken (reeks 1)

Hoofdmenu Eentje per keer 

Reken uit

  1. \(\)In een doos met 500 stukken snoepgoed zijn \(\frac{3}{10}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die een vierkante vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een vierkante vorm hebben zijn er?\(\)
  2. \(\)In een doos met 280 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{8}\) van de stukken snoepgoed koekjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{5}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel koekjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  3. \(\)In een doos met 270 stukken snoepgoed zijn \(\frac{4}{9}\) van de stukken snoepgoed gele snoepjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{6}\) die een ronde vorm hebben. Hoeveel gele snoepjes die een ronde vorm hebben zijn er?\(\)
  4. \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{1}{9}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{5}{8}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  5. \(\)In een school met 630 leerlingen zijn \(\frac{3}{7}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{10}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  6. \(\)In een vrachtwagen met 600 dozen zijn \(\frac{3}{10}\) van de dozen kartonnen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die gedeukt zijn. Hoeveel kartonnen doosjes die gedeukt zijn zijn er?\(\)
  7. \(\)In een school met 360 leerlingen zijn \(\frac{9}{10}\) van de leerlingen jongens. Hiervan zijn er \(\frac{3}{4}\) die met de fiets naar school komen. Hoeveel jongens die met de fiets naar school komen zijn er?\(\)
  8. \(\)In een bedrijf met 180 werknemers zijn \(\frac{2}{6}\) van de werknemers mannen. Hiervan zijn er \(\frac{1}{6}\) die minstens 2 kinderen hebben. Hoeveel mannen die minstens 2 kinderen hebben zijn er?\(\)
  9. \(\)In een school met 350 leerlingen zijn \(\frac{3}{5}\) van de leerlingen meisjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{7}\) die eten van thuis meenemen. Hoeveel meisjes die eten van thuis meenemen zijn er?\(\)
  10. \(\)In een doos met 300 prullen zijn \(\frac{1}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{4}{6}\) die lekker ruiken. Hoeveel polsbandjes die lekker ruiken zijn er?\(\)
  11. \(\)In een doos met 175 prullen zijn \(\frac{3}{5}\) van de prullen polsbandjes. Hiervan zijn er \(\frac{3}{5}\) die fluoriscerend zijn. Hoeveel polsbandjes die fluoriscerend zijn zijn er?\(\)
  12. \(\)In een vrachtwagen met 189 dozen zijn \(\frac{4}{7}\) van de dozen metalen doosjes. Hiervan zijn er \(\frac{2}{3}\) die gebarsten zijn. Hoeveel metalen doosjes die gebarsten zijn zijn er?\(\)

Reken uit

Verbetersleutel

  1. \(\frac{3}{10}\times\frac{3}{5}\times 500=90\text{ gele snoepjes die een vierkante vorm hebben}\)
  2. \(\frac{4}{8}\times\frac{4}{5}\times 280=112\text{ koekjes die een ronde vorm hebben}\)
  3. \(\frac{4}{9}\times\frac{3}{6}\times 270=60\text{ gele snoepjes die een ronde vorm hebben}\)
  4. \(\frac{1}{9}\times\frac{5}{8}\times 360=25\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  5. \(\frac{3}{7}\times\frac{1}{10}\times 630=27\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  6. \(\frac{3}{10}\times\frac{1}{6}\times 600=30\text{ kartonnen doosjes die gedeukt zijn}\)
  7. \(\frac{9}{10}\times\frac{3}{4}\times 360=243\text{ jongens die met de fiets naar school komen}\)
  8. \(\frac{2}{6}\times\frac{1}{6}\times 180=10\text{ mannen die minstens 2 kinderen hebben}\)
  9. \(\frac{3}{5}\times\frac{4}{7}\times 350=120\text{ meisjes die eten van thuis meenemen}\)
  10. \(\frac{1}{5}\times\frac{4}{6}\times 300=40\text{ polsbandjes die lekker ruiken}\)
  11. \(\frac{3}{5}\times\frac{3}{5}\times 175=63\text{ polsbandjes die fluoriscerend zijn}\)
  12. \(\frac{4}{7}\times\frac{2}{3}\times 189=72\text{ metalen doosjes die gebarsten zijn}\)
Oefeningengenerator vanhoeckes.be/wiskunde 2022-08-18 13:07:51