Oefeningen

  1. Absolute waarde
    • Initialiseer een variabele a met een willekeurig getal als waarde.
    • ALS a < 0 DAN "-a is de absolute waarde" ANDERS "a is de absolute waarde". Vertaal dit in code.
    • Schrijf een functie absw die een variabele a als parameter meekrijgt en de absolute waarde teruggeeft (return).
  2. Minimum
    • Initialiseer twee variabelen a en b met elk een getal als waarde.
    • ALS a < b DAN "a is het minimum" ANDERS "b is het minimum". Vertaal dit in code.
    • Schrijf een functie mini die twee parameters a en b meekrijgt en de kleinste van de twee teruggeeft (return).
  3. Maximum
    • Analoog aan bovenstaande oefening, maar dan omgekeerd
    • Schrijf een functie maxi die twee parameters a en b meekrijgt en de grootste van de twee teruggeeft (return).
  4. Wachtwoord
    • Initialiseer een variabele wachtwoord met een willekeurig woord (string).
    • ALS wachtwoord = "azerty123" DAN "Welkom" ANDERS "Fout wachtwoord". Vertaal dit in code.
    • Tip: let op het verschil tussen toekenning en vergelijking
    • Schrijf een functie inloggen die een parameter wachtwoord meekrijgt en een True of een False teruggeeft indien het wachtwoord overeenkomt of niet overeenkomt
    • Onderzoek hoe je de functie inloggen zou kunnen schrijven zonder een selectie (als) te gebruiken